Docenten Nederlands 15-18 | niveau 3 | We moeten praten

Introductie
Jan van Mersbergen (Gorinchem, 1971) groeide op in het rivierenland langs de Merwede. Hij studeerde HBO Cultuur en Beleid en daarna Cultuursociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Van Mersbergen is schrijver van romans, verhalen, tijdschriftartikelen en essays. Hij heeft een dozijn romans op zijn naam, maar ook een novelle, misdaadverhalen en boeken over schrijven. Zijn ervaring gebruikt hij onder andere om beginnende auteurs te begeleiden en workshops te geven over schrijven. Zijn literaire doorbraak kwam met de roman Naar de overkant van de nacht (2011), waarvoor hij de BNG Literatuurprijs ontving. In oktober 2025 verscheen Recht van duivenvlucht, het eerste deel van de thrillerreeks De zwarte heerlijkheid die in zijn geboortestreek speelt.

Inhoud
Het startpunt van de korte roman We moeten praten is een nogal absurd gegeven: de tienjarige Koen heeft op school nog nooit een woord gesproken. Maar nu hij in groep 7 zit, moet hij net als zijn klasgenoten, een spreekbeurt houden. Dan gebeurt het: staand voor de klas begint Koen écht te praten. Hij vertelt uitvoerig de aangrijpende geschiedenis van wat er in de eerste drie jaar van zijn leven is gebeurd. De plotselinge verdwijning van zijn Griekse moeder Helena was een traumatische ervaring. Sindsdien heeft Koen geen woord meer gezegd. In zijn relaas beperkt de nu opeens praatgrage Koen zich niet tot feiten over het gezin waarin hij opgroeide, hij etaleert ook zijn voorlijke kennis die hij van zijn vader én zijn ‘opa’ – niet écht zijn grootvader – heeft opgedaan. Het zijn bijzondere wetenswaardigheden over o.a. sterren, zwanen, Griekse mythologie. De zwaan speelt een cruciale rol in Koens verhaal. Als kleine jongen vindt hij met zijn vader op straat een aangereden dode zwaan. Later ziet hij op dezelfde plek een andere zwaan. Die wordt zijn huisdier en ze krijgt dezelfde naam als zijn moeder: Helena.
Koen vertelt aan het slot van zijn spreekbeurt hoe hij op driejarige leeftijd zijn vader dood aantrof in de wasruimte boven in hun huis. De lezer zit dan al op twee derde van de roman. Met het korte, tweede deel Moeten krijgt het verhaal een opmerkelijke wending. De vader van Koen komt aan het woord. Hij spreekt zijn ziekte aan (jij en jou): dat is de kanker in zijn lijf. De vader heeft zich teruggetrokken in het washok bij een draaiende wasmachine, terwijl de driejarige Koen ligt te slapen. In associatieve en soms hallucinerende bewoordingen lijkt hij zijn ziekte te willen bezweren, zonder succes. Alles wat hij zegt, is opgetekend in een zwart notitieblokje (‘Hardop denken, direct noteren’, blz. 95). De aantekeningen laten zien dat de vader altijd gezwegen heeft over zijn ziekte.
In het derde deel We is een verteller aan het woord die de ‘opa’ volgt, nu consequent ‘de oude man’ genoemd. Die komt op school om te wachten tot Koen klaar is met zijn spreekbeurt. Hij gaat bij de conciërge zitten en vertelt wat er gebeurd is: hoe hij ontdekte dat Koen al ‘enkele dagen’ in huis was met de dode vader én de zwaan, hoe hij Koen opving, in huis nam en verzorgde. Dat is nu zo’n zes jaar geleden. De roman eindigt dan net zo absurd – of ongeloofwaardig? – als die begonnen is: de oude man vertelt de conciërge hoe hij het lichaam van de vader voor Koen heeft bewaard. Wat zullen de gevolgen zijn van deze bekentenis?

Moeilijkheid
Het eerste deel waarin Koen zijn spreekbeurt houdt, is heel gemakkelijk te lezen. Het is binnen het verhaal ook bedoeld voor tienjarigen. Als Koen een moeilijk woord gebruikt, legt hij het uit. Het is even opletten wanneer juf Selin er tussendoor komt met haar stilzwijgende reacties en gedachten. Dan, in deel 2, wordt het lastig lezen: de vader spreekt in een monoloog zijn kanker aan. Hij springt van de hak op de tak en is soms moeilijk te volgen in zijn manier van denken. Van beroep redacteur refereert hij aan een doodvermoeiend manuscript dat hij onder handen heeft en daarmee lijkt hij zichzelf te becommentariëren. Dit deel eindigt met een onaffe zin. Is die opgeschreven als de dood intreedt? Het derde deel is met de kennis van de eerste delen wel weer makkelijker te volgen. Maar het verhaal wordt aan het eind nogal ongeloofwaardig en eindigt met een groot vraagteken. Zal de oude man opgepakt worden vanwege zijn ongeoorloofd handelen met het stoffelijk overschot van de vader? Dan zou Koen wéér aan zijn lot overgelaten worden.  
   

Didactische en letterkundige analyse

Dimensies

Indicatoren

Toelichting | complicerende factoren

Algemene vereisten

Bereidheid

Het eerste en grootste deel van het boek is erg toegankelijk. Vanwege de associatieve manier van denken én praten moet de lezer wel enigszins meegaan in die denktrant. Dat is in het tweede deel nog sterker en soms ook verwarrend. Ten eerste doordat de aangesproken persoon de ziekte van de vader is, ten tweede door de wel erg losse manier van zeggen en noteren: het zijn veelal flarden tekst die niet direct verband met elkaar houden. Openheid voor deze manier van schrijven is een vereiste.
Confronterend kan het boek zijn voor wie zelf te maken heeft gehad met een ouder die overlijdt of plots het gezin verlaat.

 

Interesses

Belangstelling voor de binnenwereld van het kind is een pre. Ook interesse in symboliek (zoals die van de zwaan) kan het leesplezier en de waardering voor deze roman verhogen.

 

Algemene kennis

Niet vereist. De vroegwijze Koen strooit met bijzondere kennis, maar hij gaat ervan uit dat zijn klasgenoten niet alles snappen, daarom verduidelijkt hij zaken regelmatig.

 

Specifieke literaire en culturele kennis

Er zijn verwijzingen naar klassieke verhalen en symbolen, maar Koen legt goed uit waar het daarbij om draait. Er worden muziekartiesten genoemd in de roman, zoals de Red Hot Chili Peppers waar de vader kennelijk gek op is. De Brabantse zanger Gerard Maasakkers heeft in een van zijn liedjes een cruciale zin gezongen over een geliefde die eventueel kan terugkomen. Toch is kennis van deze muziek niet nodig.

Vertrouwdheid met literaire stijl

Vocabulaire

Geen probleem. Van sommige woorden die Koen gebruikt, weet hij dat zijn klasgenoten die niet kennen. Dan legt hij ze uit, zoals het woord ‘gracieus’: “… dat is elegant of sierlijk of zwierig, allemaal woorden die bij een zwaan passen”. Het Brabants is gemakkelijk te volgen en wordt soms vertaald.

 

Zinsconstructies

Geen probleem.

 

Stijl

Sober, alledaags. Wel kan in het eerste en tweede deel de associatieve manier van praten en hardop denken een struikelblok zijn.

Vertrouwdheid met literaire personages

Karakters

Zoals Koen aankondigt, heeft hij vier ‘steekwoorden’ voor zijn spreekbeurt: Mama, opa, zwaan, papa. Dat zijn, naast Koen zelf, de belangrijkste karakters uit het boek. Mama treedt alleen in gedachten en gesprekken op. Opa en papa zijn prominent aanwezig. De zwaan kan ook als karakter gezien worden.

 

Aantal karakters

Beperkt en daardoor geen probleem. Er zijn bijfiguren, zoals de klasgenoten, de juf, de conciërge. Het aantal karakters blijft heel overzichtelijk.

 

Ontwikkeling van en verhouding tussen de karakters

De roman draait niet om wezenlijke karakterontwikkelingen, maar de personages laten wel veranderingen zien. Het moment waarop Koen met zijn spreekbeurt begint, geeft de afsluiting van een periode weer. Hij stopt met zwijgen en door gewoon te gaan praten staat hij op de rand van een normale kinder- en pubertijd.
De oude man werpt zich op als verzorger van Koen én van de zwaan. Met zijn relaas tegenover de conciërge bekent hij wel zijn ongeoorloofd handelen.
De vader durft in zijn Moleskine eindelijk te schrijven wat hij lang verborgen hield, maar ook hier is niet echt van een ontwikkeling sprake, wel van een verandering.

Vertrouwdheid met literaire procedés

Spanning

De spanning zit in alle delen. Koen heeft aangekondigd dat zijn spreekbeurt over ‘alles’ gaat en dat die ook duidelijk zal maken waarom hij zolang heeft gezwegen. Wat zal de oorzaak of reden zijn?
De aantekeningen van de vader voeren ergens naartoe, maar de lezer blijft tot het eind van deel twee in onzekerheid wat dat zal zijn.
Tot slot is er de oude man met zijn verhaal. Maakt dat het verhaal rond of zit er aan het eind nog een onverwachte tournure in deze roman?

 

Chronologie

Niet echt lastig. Het eerste en derde deel spelen in het nu, het tweede deel pakweg zes jaar geleden. De lezer moet wel blijven opletten in welke tijd het verhaal zit. Wie goed leest, concludeert dat Koen tijdens de spreekbeurt een jaar of tien is. Hij blikt terug op zijn jonge leven. Zijn moeder is zeven jaar geleden plots verdwenen, zijn vader is korte tijd later overleden, toen de zwaan als huisdier was geaccepteerd. Koen heeft al met al zeven jaar gezwegen en hij heeft het grootste deel van die tijd gewoond bij zijn ‘opa’. De oude man vertelt immers aan de conciërge over Koen: ‘Hij werd gauw vier. Hij moest naar school.’

 

Verhaallijn(en)

Eén verhaallijn waarbij het eerste en het derde deel op elkaar aansluiten. Het tweede deel geeft antwoord op de vraag van de lezer wat er met de vader is gebeurd. Dat deel speelt enige tijd nadat de moeder is vertrokken.

 

Perspectief

In het eerste deel ligt het perspectief bij de juf, maar Koen is hier merendeels aan het woord. In het tweede deel vertelt of schrijft de vader. Het derde deel wordt weergegeven door een alwetende verteller, al zijn ook hier vooral mensen aan het woord: de oude man en de conciërge.

 

Betekenis

 

We moeten praten vertelt over schrijnende gebeurtenissen: de verdwijning van een moeder en de dood van een vader. Maar het boek gaat vooral over de wonden die ontstaan wanneer daar niet over gepraat wordt. Drie van de vier protagonisten zwijgen over hun trauma. De moeder is, kennelijk uit heimwee, zomaar verdwenen – zonder uitleg aan haar zoontje. Koen zwijgt in reactie daarop vele jaren. De vader lukt het niet om zijn ongeneeslijk ziek zijn te delen met zijn gezinnetje en sterft in beklagenswaardige eenzaamheid. Alleen opa, de oude man, praat en hij is de minst complexe figuur in het boek.
Kennelijk heeft de auteur willen benadrukken dat we er goed aan doen om ons uit te spreken. Maak van je hart geen moordkuil, zwijgen kan desastreus zijn. Ja: we moeten praten.

Relevante bronnen voor docenten

 

Uitgebreide recensie
tv-interview (ca. 9 minuten)

Externe leestips

 

Gestameld liedboek - Erwin Mortier
Narcis - Judith Fanto
Hemelvaart - Judith Koelemeijer

Auteur docentinfo

 

Jan Erik Grezel