Theo Witte neemt klinkend afscheid

Gepost op maandag 19 maart 2018 door: Bea Ros

In 2008 promoveerde Theo Witte op Het oog van de meester, een onderzoek naar hoe je het begrip literaire ontwikkeling van leerlingen kunt operationaliseren. Hij vertaalde zijn bevindingen naar een didactisch instrument en tien jaar later is dit, deze website Lezenvoordelijst.nl, niet meer weg te denken uit het Nederlandse literatuuronderwijs. Geen wonder dus dat vrijwel alle feestredenaars stelden dat geen enkel onderzoek de praktijk van het literatuuronderwijs zo heeft beïnvloed als dat van Theo Witte.

Ontdekkingsreis
Die feestredes besloten de middag. Daarvoor waren er lezingen, een forumdiscussie en een afscheidscollege van de meester zelf. Deze stonden alle uiteraard in het teken van het literatuuronderwijs en hoe dat te verbeteren. Erwin Mantingh (lerarenopleider Universiteit Utrecht) vergeleek dat onderwijs met een ontdekkingsreis door tekst, taal en tijd. Hij liet aan de hand van uiteenlopende teksten als de Spaanschen Brabander van Bredero en Tjeempie van Campert zien hoe teksten helpen afstand te scheppen om daardoor beter zicht op jezelf en je eigen tijd te krijgen. ‘Ik wil in het voetspoor van Liesje leerlingen laten ontdekken dat er in literatuur meer zit dan ze vermoeden, en dat die “oude meuk” hen iets te vertellen heeft.’ Om ook leraren toe te rusten voor deze expeditie is een didactisch handboek voor historische letterkunde hard nodig, aldus Mantingh. Waarbij hij fijntjes opmerkte dat ook twintigste-eeuwse literatuur voor leerlingen van nu al geschiedenis ofwel oude letterkunde is.  

Wat is literatuur?
Theo Witte en collega’s constateerden in hun artikel ‘Doodtij in de Delta’ (Spiegel der Letteren, nr. 59, 2017) dat veel leraren in het literatuuronderwijs ‘maar wat aanrommelen’. Barend van Heusden kon hen geruststellen: ‘Dat geldt voor het hele profiel Cultuur & Maatschappij.’ Want, zo stelde hij, nu er niet langer een gedeelde, vanzelfsprekende culturele canon is, weten we niet meer wat we leerlingen moeten onderwijzen. Om vervolgens met opzet de knuppel in het hoenderhok te gooien: ‘Die strijd win je niet met een leeslijst en al helemaal niet met enthousiasme, en ook niet met vage begrippen als “bewust geletterd” – met dat laatste verwijzend naar een centraal concept van onder andere Witte in het Manifest voor het Schoolvak Nederlands (2016).
Waarmee dan wel? Met een gedegen theoretisch fundament en dat leverde Van Heusden. De Groningse hoogleraar Cultuur en Cognitie is in het onderwijs bekend geworden met zijn fundament voor cultuuronderwijs, Cultuur in de Spiegel (CiS). Voor deze gelegenheid spitste hij dit toe op het literatuuronderwijs. Cultuur, zo doceerde hij, begint altijd met een verschil tussen een ervaring en je herinnering of dat wat je al kent. Dat verschil noopt tot betekenistoekenning en dat doen mensen, anders dan dieren, via waarnemen, verbeelden, conceptualiseren en analyseren. ‘Literatuur is niet één ding, maar staat op een kruispunt’, aldus Van Heusden. ‘Het is zelfbewustzijn, verbeelding en taal.’ Die culturele capaciteit van taal zou in het onderwijs veel meer aandacht moeten krijgen: ‘De aandacht voor taal in het onderwijs is nu vooral instrumenteel, zinnetjes vertalen en trucjes voor debatteren aanleren, dat is een gotspe.’

Reflectie
Met dit pleidooi had Van Heusden natuurlijk het juiste publiek voor de neus. Al ging lang niet iedereen mee in zijn betoog dat teksten geen object van literatuuronderwijs kunnen zijn, omdat ze louter constructies van de lezer zijn.
De derde spreker, leraar Nederlands André van Dijk (die op de valreep inviel voor een door ziekte verhinderde spreker) ter plekke inviel, pakte de draad echter soepeltjes op en gaf er zijn eigen unieke draai aan. ‘De reflectie op wie ik ben’ noemde hij het wezen van de literatuurles. Grappend: ‘Dat staat in eindterm F: oriëntatie op studie en beroep. Zoiets kan niet zonder te weten wie je bent.’  
Met een innemende voordracht illustreerde Van Dijk met enkele voorbeelden hoe rijk en open teksten kunnen zijn en hoe je met leerlingen samen alle mogelijke interpretaties kunt verkennen. ‘Stel je niet tevreden met de eerste betekenis, maar neem de tijd en neem afstand. Bespreek ook wat er niet staat en wat je niet ziet.’ In de literatuurles moet het niet (alleen) gaan om tekstverklaring, maar om persoonlijk tekstbegrip. ‘En met dat een leerling zijn mening over een tekst geeft, maakt hij zich bekend.’

Homo narrans
Tijdens een forumdiscussie werd verder gepraat over doelen en didactiek van literatuuronderwijs. Moet je bijvoorbeeld wel of niet aansluiten bij de leefwereld van leerlingen? Nee, vond Mathijs Sanders, want dan mis je de verwondering. ‘We moeten er niet voor terugschrikken literatuuronderwijs moeilijk te maken.’ Maar, riposteerde Marlies Schouwstra: ‘Leerlingen moeten wel iets aan een tekst kunnen beleven.’
Mag literatuuronderwijs saai zijn? Dat is een begrip waar men niets mee kon. ‘Leerlingen hebben geen moeite met saai, wel met betekenisloos’, reageerde vakdidacticus Piet-Hein van de Ven vanuit de zaal.  
Over de vraag of je de literatuurles ook kunt of moet verbreden naar films en Netflix-series verschilden de meningen. Van de Ven vond niet zozeer het literaire als wel het narratieve de kern van literatuuronderwijs. ‘We zijn geen homo sapiens, maar homo narrans. Ook in 2032 bestaat nog steeds de behoefte aan verhalen en betekenisverlening.’ Schouwstra zag ook valkuilen: ‘Ik vind het belangrijk dat leerlingen leren lezen, zich leren afsluiten en even alleen met zichzelf en een tekst bezig te zijn.’
Een bredere focus dan louter Nederlandse literatuur kreeg wel bij iedereen de handen op elkaar. Gedroomd werd over een hernieuwd geïntegreerd literatuuronderwijs en van een apart vak literatuur in het C&M-profiel. ‘Nederlands bij C&M moet meer zijn dan Nederlands in de N-profielen’, bepleitte bijvoorbeeld Gert Rijlaarsdam. ‘Een apart vak literatuur? Nu doen!’

Zeven axioma’s
En toen was het tijd voor Wittes afscheidscollege. Citerend uit een gedicht van Tom van Deel vergeleek de prille pensionado zichzelf met een wingerdblad ‘dat zich losmaakt van de muur, zijn steel laat staan’. Wittes steel was een testament met zeven axioma’s voor bloeiend literatuuronderwijs. Voor docenten mag dit onderwijs dan vanzelfsprekend zijn, voor leerlingen is het dat niet. En dus moet je dit met de beste didactiek onderwijzen. Met kennis en passie voor het vak, maar ook met passie voor het leren van leerlingen. ‘Wees geen Bint, maar help leerlingen klimmen.’ Wittes concept van Lezenvoordelijst biedt daar natuurlijk al handvatten voor. Zoals die ook voorziet in zijn derde axioma van een doorlopende lijn, waarin leerlingen daadwerkelijk kunnen groeien.
Anders dan Rijlaarsdam zet Witte literatuur liever niet apart: ‘Literatuur is een bepaalde vorm van taalgebruik, geen apart vak.’ Hij gaf een voorbeeld van een huiswerkopdracht waarbij leerlingen bij een foto de keuze kregen een fictieve tekst of een nieuwsbericht te schrijven. Door in de nabespreking beide te vergelijken ontdekken leerlingen al doende kenmerken van beide tekstgenres.
Om dit bloeiende literatuuronderwijs te realiseren, zo besloot Witte, is een sterke vakgemeenschap van leraren Nederlands en academici nodig, meer vakdidactisch onderzoek naar hoe je jongeren kunt interesseren voor lezen en intensieve samenwerking tussen scholen en openbare bibliotheken. En ja, hij zal daar zelf best nog aan bijdragen, maar niet langer 100%: ‘Het is mooi geweest.’
‘Je werk is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven’, zei oud-docent Monique Metzemaekers. ‘Meedoen aan jouw onderzoek was het meest inspirerende uit mijn loopbaan.’

De afscheidsrede van Theo Witte komt binnenkort integraal beschikbaar.



blog reacties powered by Disqus